Herrie op het Leerplein

januari 23, 2012

Ik hoor docenten wel eens klagen over geluidsoverlast op een leerplein.Te veel lawaai waardoor leerlingen zich niet kunnen concentreren. Voor instructie wordt uitgeweken naar andere lokalen. Docenten missen het overzicht, leerlingen weten niet waar ze aan toe zijn en iedereen wenst vurig dat alles weer wordt ‘zoals vroeger’, met iedere docent een eigen lokaal. In december vertelde Marc van Gent, docent en ontwerper van Themaleren op het IJburgcollege, een heel ander verhaal.

Marc is sinds deze zomer ‘zijn lokaal kwijt’ en geeft alleen nog maar les op het leerplein. Hij doet dan ‘een wedstrijdje met de omringende klassen, wie er het stilst is’ en ‘wint dat regelmatig’.

Een leerplein is een ruimte waar leerlingen en docenten aan het leren zijn. Ze zijn dus niet steeds allemaal met hetzelfde bezig zijn. Op een leerplein zitten vaak meer leerlingen, deze leerlingen zitten niet noodzakelijk in hetzelfde leerjaar en vaak zijn er ook meer docenten. Als docent wil je soms korte instructie geven aan de leerlingen. Het is een grote ruimte, dus je hoort elkaar. Dat vraagt een bepaalde instelling.

Waar het om gaat is niet alleen dat er TE VEEL geluid gemaakt wordt, maar vooral WAT dat dat voor geluid is. Of geluid storend is blijkt over het algemeen minder van doen te hebben met het volume dan met de inhoud van wat er gezegd wordt en of dat te maken heeft met leren.

  1. Een voorbeeld is dat je elkaar niet uitgebreid gaat groeten op het leerplein, net zo min als elkaar vragen wat je gisteravond gedaan hebt. Dat zijn sociale gesprekken en die voer je in een andere ruimte, in de kantine bijvoorbeeld, of op het schoolplein.
  2. Als leerling wacht je niet met aan de slag gaan tot de docent met instructie start. Zodra je binnenkomt, ben je aan het leren en ben je dus stil of aan de slag, er kan altijd iemand bezig zijn en dan stoor je.
  3. Als docent doseer je je instructie, je bedenkt van te voren heel goed wat je wil zeggen. Je zegt alleen het hoogstnoodzakelijke. Een zeer gunstig neveneffect is dat je instructie hiermee verbetert.
  4. Als docent werk je in je instructie met beeld en gebaar door bijvoorbeeld platen te laten zien, een vraag of opdracht op het bord te schrijven of met gebaren te werken. Je maakt het gebaar van dat leerlingen nadenken over iets dat je hebt opgeschreven bijvoorbeeld.

Natuurlijk is het niet non-stop muisstil als leerlingen aan de slag zijn, ze overleggen met elkaar en dat kan behoorlijk geluid maken. En het grappige is, vertelt Marc van Gent, dat dat niet stoort. Leerlingen die aan het werk zijn en met elkaar praten, dat stoort niet, waar je last van hebt dat is as iemand praat over iets anders. Onder herrie verstaan we als leerlingen en docenten praten over onderwerpen die niet over leren gaan.

Nieuw? Welnee, vroeger werkte je ook al in de bibliotheek… stilte, niet eten, groepen die op fluistertoon instructie krijgen. Maar om een fysieke ruimte, zoals een plein, te definiëren als een leerruimte en daar dus consequent alleen maar leergeluid te produceren, EN DAN VOORAL OOK ALS DOCENT, dat vind ik een inspirerend idee voor mijn eigen lesruimte in 2012. Met hartelijke dank aan Marc.

Dit artikel is gebaseerd op een interview dat Moumna Rahou, wiskundedocent in opleiding op het Wellant College en student bedrijfswiskunde, hield met Marc van Gent, docent en ontwerper van themaleren op het IJburgcollege. Moumna, Marc en andere docenten zijn te zien in de korte documentaire over Themaleren en Wiskunde die in het voorjaar van 2012 verschijnt, geproduceerd door Bèta-boost & Scriptfactory in opdracht van het Vaknetwerk Wiskunde van de Hogeschool van Amsterdam.

Copyright 2012 Monique Pijls
WILT U DIT ARTIKEL GEBRUIKEN? GRAAG! Vermeld dan de volgende tekst en een werkende link naar de genoemde website ‘Door Monique Pijls van het Expertisecentrum Bèta-boost. Ga naar http://www.beta-boost.nl voor gratis tips en inspiratie.’

Proceshulp in de wiskundeles

januari 23, 2012
‘Kunt u even zeggen of dit antwoord goed is?’ ‘Wat moet je hier nu doen?’  Als leerlingen zelf aan sommen werken, hebben ze vaak allerlei vragen. Als docent ben je -voor je het weet- een heel verhaal aan het vertellen. De kunst is om dat van tijd tot tijd bewust niet te doen. Zodat leerlingen nog wat dieper zelf nadenken over de stof. Dat noemen we proceshulp.
Dat gaat als volgt:
1. Zorg voor een lastige opgave, bijvoorbeeld een (of meer) uit de diagnostische toets.
2. Laat leerlingen met met enig verschil in niveau samenwerken.
3. Maak duidelijk dat jij de leerlingen nu niet gaat helpen.
4. Vertel leerlingen dat het van belang is om te zeggen wat ze denken.
5. Zorg dat leerlingen iets kunnen winnen, bijvoorbeeld meetellen op de toets.
Copyright 2012 Monique Pijls
WILT U DIT ARTIKEL GEBRUIKEN? GRAAG! Vermeld dan de volgende tekst en een werkende link naar de genoemde website ‘Door Monique Pijls van het Expertisecentrum Bèta-boost. Ga naar http://www.beta-boost.nl voor gratis tips en inspiratie.’

Denken met je handen: doen uw leerlingen wel eens ‘alsof’?

oktober 24, 2011
Iedere docent kent het probleem dat leerlingen zich de stof niet echt eigen maken. Leerlingen leren voor het proefwerk, maar vaardigheden beklijven niet. Er wordt te weinig geoefend en ze weten niet hoe ze een probleem moeten aanpakken. Er wordt te weinig gedacht en te weinig gedaan. Er is prachtig onderzoek naar de hand-hersenrelatie waaruit blijkt dat het specifieke van de menselijke hand is -en dat zit in de bouw van de duim- dat de menselijke hand kan ‘doen alsof’. In tegenstelling tot bepaalde apensoorten die met hun handen wel allerlei minutieuze handelingen konden uitvoeren, maar niet konden doen ‘alsof’ ze die handeling uitvoerden. Gerelateerd hieraan is ook het vermogen van menselijk brein om te ‘doen alsof’, ons voorstellingsvermogen.
In sport vinden we het heel gewoon: kilometers maken. Als je bijvoorbeeld een marathon (of om te beginnen een halve) wilt gaan lopen, dan ga je niet van de een op de andere dag zo lang mogelijk moet gaan lopen als je maar kunt. In het begin zul je kortere stukjes lopen dan je zou kunnen, of minder hard, maar je zorgt wel dat je er iedere dag mee bezig bent. Je rent dagelijks kleine stukjes, niet al te hard, en bouwt dat op.
Dat willen we in op school ook, oefenen. Daarbij gaat het om
1. iets dat je met een zeker gemak kunt uitvoeren (wat je al weet of een klein onderdeel van iets dat boven je niveau ligt)
2. wat je gedurende een korte tijd doet (5 minuten)
3. op regelmatige basis (liefst dagelijks)
Tegenwoordig zijn hiervoor allerlei online tools beschikbaar. Leerlingen kunnen er zelf mee werken, of via het digibord met de hele klas tegelijk. Om de tijd te bewaken zijn er prachtige digitale klokken en stopwatches, als variant op de ouderwetse eierwekker.
Zorg daarnaast dat leerlingen niet alleen maar ‘doen’, maar ook ‘doen alsof’. Elkaar vertellen hoe ze een bepaalde som zouden aanpakken, een stappenplan maken  van hoe ze een bepaalde opgave zouden aanpakken. Nog even zonder het uit te voeren: Kun je je voorstellen hoe je het aan zou pakken? Dit kan voor sommige leerlingen een eenvoudige opgave zijn en voor anderen de start van een ingewikkelde opgave.
Voor oefenen en eigen maken geldt dat je iets niet al te moeilijks of niet al te groots doet, gedurende korte tijd en met grote regelmaat. Dan is het doen, doen, doen, en vooral ook ….. doen alsof!
Copyright 2011 Monique Pijls
WILT U DIT ARTIKEL GEBRUIKEN? GRAAG! Vermeld dan de volgende tekst en een werkende link naar de genoemde website ‘Door Monique Pijls van het Expertisecentrum Bèta-boost. Ga naar http://www.beta-boost.nl voor gratis tips en inspiratie.’

Wat schittert daar?

september 30, 2011

Lesgeven is soms net schatgraven; het ene moment heb je het idee dat je alleen maar door de modder staat te ploegen en dan schittert daar ineens een snipper goud. Veel scholen werken met een of andere vorm van leerlingen die leerlingen begeleiden. Als dat binnen de les gebeurt, worden over het algemeen leerlingen die goed zijn in een bepaald vak uitgekozen om hen uitleg te laten geven aan anderen. Dit is een uitstekende manier van werken, ware het niet dat juist de  ‘uitleggers’ hiervan leren en dat dat is wat we alle leerlingen willen laten doen!

Wat minder vaak voorkomt is dat leerlingen met lage resultaten of laag zelfvertrouwen in een bepaald vak coach worden van jongerejaars. Terwijl dit nu juist een schat aan leermogelijkheden biedt. Als leerlingen Bètacoach worden, gaan zij tijdens de les jongerejaars helpen in een exact vak. Deze lessen bereiden ze goed voor en zowel hun leerlingen als zij zelf leren er veel van.

Mij wordt nogal eens gevraagd: ‘Hoe selecteer je leerlingen om Bètacoach te worden?’ Je wilt immers wel dat ze het ook kunnen, dat ze echt in staat zijn om die jongere leerlingen te helpen. Hieronder een stappenplan, hoe u te werk moet gaan om niet alleen de beste leerlingen in te zetten om jongere leerlingen te helpen:

  1. Kies een leerling die qua resultaten of zelfvertrouwen te winnen heeft. Het kan zijn dat u ergens het gevoel heeft ‘deze leerling heeft meer in zich’. Maar het kan ook zijn dat u zich afvraagt of een bepaalde leerling ‘het wel aan kan’. Neem deze laatste leerling dan ieder geval in overweging.
  2. Overleg met een collega. Mocht u twijfelen aan een bepaalde leerling, vraagt u zich dan af in hoeverre deze twijfel gegrond is. Er kunnen redenen zijn om iemand niet te vragen, als een leerling bijvoorbeeld dringend zijn of haar tijd aan andere zaken moet besteden. Afgezien van dwingende praktische factoren, kan iedereen die wil Bètacoach worden.
  3. Vraag de leerling om Bètacoach te worden. Maak duidelijk dat dit iets bijzonders is, een exclusieve uitnodiging om jongerejaars te begeleiden in exacte vakken. Iemands specifieke ervaring – en dat kan juist zijn dat een leerling zelf ook worstelt met een bepaald vak – maakt die persoon uitermate geschikt voor deze rol.
  4. Spreek de verwachting uit dat deze leerling het kan. Mogelijk vraagt een leerling zich af of hij of zij dit wel kan. Wees daarin heel duidelijk: ‘Ik weet zeker dat jij dit kunt, anders had ik jou niet gevraagd’. Een beetje overredingskracht van u als docent is soms nodig.
  5. Stel eisen: geef duidelijk aan dat dit committent en inzet vraagt. Bètacoach zijn vraagt voorbereiding, aanwezigheid en aandacht. Het is een eer om gevraagd te worden, maar je moet er wel wat voor doen. Dat kan maar beter vanaf het begin duidelijk zijn.

Bij het zoeken naar geschikte tutoren is het dus van belang om verder te kijken dan uw eerste ideeën. Degene die u over het hoofd ziet, zou weleens zeer geschikt kunnen zijn. Daarnaast zijn uw eigen verwachtingen en eisen cruciaal voor het slagen van het tutorschap. En natuurlijk de voorbereiding en begeleiding tijdens de lessen. Daarover een andere keer meer.


Wiskunde geen kunst?

september 16, 2011

Voor sommige leerlingen is wiskunde een saai vak. Ze kunnen zich niets voorstellen bij sommen en formules. Dat vertaalt zich in vragen als ‘Waar is dit goed voor?’ of ‘Waar heb je dit voor nodig?’. Ouders zitten met de handen in het haar, zij vonden wiskunde vroeger ook al een saai vak. Contextopgaven hebben het er niet beter op gemaakt, wordt gezegd.

Het is ook niet makkelijk om een goede betekenisvolle opgave te ontwerpen en vaak zijn de gezochte contexten verouderd, gekunsteld en niet origineel. Op een aantal prachtige voorbeelden nagelaten worden de opgaven vaak ingewikkelder en zeker niet minder saai. We investeren en veel in om wiskunde aantrekkelijker te maken en om het belang ervan aan te geven.

Maar een heel belangrijk punt blijft in al deze acties vaak achterwege. Want wat is het probleem eigenlijk? Leerlingen kunnen zich bij wiskunde niets voorstellen, ze hebben er geen beeld bij. Terwijl wiskunde bij uitstek een vak is dat het voorstellingsvermogen prikkelt. Hoe kunnen we die verbeelding bij leerlingen op gang brengen?

De oplossing ligt dichterbij dan u denkt. De experts op dit gebied zitten bij u op school, in de koffiekamer komt u ze tegen, het zijn uw collega’s kunstdocenten. Beeldende vorming, drama, tekenen, CKV, film. Allemaal vakken waar verbeelding centraal staat. Ga dus als wiskunde docent met hen samenwerken. Prikkel het voorstellingsvermogen van uw leerlingen met opdrachten op het snijvlak van wiskunde en kunst. Hieronder beschrijf ik hoe:

  1. Laat leerlingen een wiskundig onderwerp uitleggen door middel van beeld, geluid, een verhaal of toneelstuk.
  2. Neem hiervoor een onderwerp dat niet nieuw voor hen is: bijvoorbeeld de stelling van Pythagoras, rekenen met haakjes, berekenen van de oppervlakte van figuren, abc-formule. Enzovoorts. Zo kunnen leerlingen boven de stof staan en aandacht besteden aan de vormgeving.
  3. Werk echt samen: de kunstdocent waarborgt het artistieke gehalte, vormgeving en uitvoering. De wiskunde docent bewaakt de wiskundige inhoud. Zet hoog in, ga door tot u allebei helemaal tevreden bent met de creaties van uw leerlingen.

Zonder voorstellingsvermogen geen wiskunde. Maak gebruik van de expertise die binnen uw school aanwezig is op dit vlak. Begeleid leerlingen samen in deze weet–kunst lessen, blijf als wiskundige scherp op concepten en laat u verrassen door de benadering van uw collega kunstdocent.

Belangrijker dan het tentoonstellingsmateriaal voor uw wiskundelokaal die dit oplevert, is het feit dat leerlingen op deze manier inzicht in het vak kunnen opdoen. Mocht u hier aan twijfelen, bedenk dat er veel wiskundigen zijn die hun nieuwe ideeën opdoen als ze even niet nadenken of formules uitwerken, maar wanneer zij tekenen, schilderen of een muziekstuk spelen. Dit is het prettige gebied van ‘niet snappen’, waar denken even ophoudt, waar je het even niet meer weet en waarmee je ruimte maakt voor nieuwe inzichten.

Een dergelijke aanpak is dan niet alleen inspirerend voor de wiskundeles, maar misschien wel het begin van een heel nieuw profiel op school: cultuur & natuur!


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.